Martien Baars 60 van Texel

Martien Baars

Bioloog, vader, loper en één van de grondleggers van ‘De Zestig van Texel

Martien Baars (1948) is emeritus biologisch oceanograaf op Texel.  Als zoöloog promoveerde hij aan de VU in 1982 op het proefschrift ‘Running for life’ (over de populatiedynamica van loopkevers op de Drentse hei), nog onwetend over zijn latere ‘loopbaan’ in de ultrawereld. Hij is één van de oprichters van de site www.ultraned.org (1999).

1. Waarom ben je een ultraloop gaan organiseren?
‘Eind 1987 kwam ik als planktononderzoeker (en tevens één van de projectleiders) van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) overspannen terug van een congres in Jakarta dat de roemruchte Snellius-II Expeditie 1984/85 afsloot. Intuïtief ben ik toen gaan hardlopen als therapie. Ik kreeg zoveel aardigheid in dat lopen dat ik aan wedstrijden op Texel en aan de ‘overkant’ mee ging doen en ook lid werd van AV Texel. Omdat mijn duurvermogen en snelheid na jaren inactiviteit gestaag toenamen, wilde ik me na een paar jaar aan de marathon wagen, maar dan liefst op Texel zelf. Op het eiland waren er alleen de HM De Waal en de HM De Koog, dus moest ik die marathon dan maar zelf initiëren. Het NIOZ, mijn werkgever, zou in 1990 honderd jaar in een permanent gebouw zitten en de toenmalige directeur had er oren naar om in de geplande feestweek een NIOZ-marathon in te passen. Er vond echter een directeurswisseling plaats en er kwam een dikke streep door het feest omdat de nieuwe baas niet wilde tornen aan het beginjaar 1876 van het verplaatsbare Zoölogisch Station. Inmiddels was ik voorzitter van AV Texel geworden en suggereerde Jan Knippenberg dat de vereniging ook een ultraloop rond het eiland kon organiseren in plaats van die NIOZ-marathon. Zo is ‘De Zestig van Texel’ geboren, geen echt Rondje Texel maar een punt-tot-punt loop, met start op het NIOZ bij de veerhaven en de finish bij de Sporthal in Den Burg (vanwege de douches).’

2. Waarom doen jullie het maar eens in de twee jaar?
‘Van begin af aan is het ingewikkeld evenement geweest, met de combinatie van ultralopers en estafettelopers op een lang parcours. ‘Knip’ was ons ‘uithangbord’ en verzorgde via zijn grote netwerk voor de bekendheid maar de praktische voorbereidingen waren behoorlijk arbeidsintensief. Daar is deels ook de keuze van Tweede Paasdag als datum uit voortgekomen: aan het begin van het seizoen zijn de vrijwilligers nog fris en hadden de meesten binnen de organisatie met Pasen de vrijdag-zaterdag-zondag vrij om de boel op poten te zetten. Die eerste editie van 1991 voerde ik het organisatiecomité aan en stelde ik vooraf dat we zo’n grote loop maar eens in de twee jaar op onze hals moesten halen. Iedereen van ons had drukke banen en kon zich deze peut extra werk niet jaarlijks veroorloven. Na afloop van die eerste editie bleek uit een schriftelijke enquête dat de ultralopers dolgraag wilden dat we het jaarlijks gingen doen op Tweede Paasdag maar gelukkig hebben we uit zelfbescherming vastgehouden aan die twee jaar.’

3. Wat is er sinds 1991 bij De Zestig van Texel veranderd?
‘Het lange stuk in 1991 langs de Waddenkant werd saai gevonden dus kreeg de route vanaf 1993 een binnenlandse lus door Oost en Oosterend. Voor sommige ultralopers was 60 km ‘wat kort’ en voor hen introduceerde Jan Knippenberg bij de tweede editie in 1993 de 120 van Texel: eerst ’s morgens vroeg vanaf de wielerbaan in Den Burg een ronde tegen de klok, en dan keren bij de veerhaven en nog de normale 60 km met de klok mee. Toen Knip in november 1995 overleed, heb ik de algehele coördinatie aan een ander overgedragen en heb ik vanaf de editie van 1997 de rollen van Jan ingevuld, namelijk de organisatie van De 120 van Texel en de PR. Tot en met 2007 kon ook de eerste 28 km of de tweede 32 km solo worden gelopen maar om meer ruimte te maken voor de gestage groei in het aantal deelnemers op de 60 km werden die kortere onderdelen afgeschaft. De Zestig van Texel heeft sindsdien drie onderdelen: de 60 km, de 120 km en de 4 x 15 km estafette.’

4. Waarom is de loop zo populair geworden?
‘Ongetwijfeld omdat De Zestig van Texel één van de mooiste parcoursen van Nederland heeft. Plus dat de afstand van 60 km veel marathonlopers uitdaagt en het tweejaarlijkse karakter een gevoel kan geven van ‘ik wil er deze keer bij zijn want anders moet ik weer twee jaar wachten’. Daarnaast speelde en speelt de historische verbinding met Jan Knippenberg een grote rol. Daarbij heeft De 120 van Texel enorm bijgedragen aan de status en bekendheid van het evenement. Voor toelating tot die 120 moeten lopers zich kwalificeren middels goede prestaties in 100 km of 24 uurs wedstrijden en dat geeft elke keer behoorlijk wat discussie voor en achter de schermen.’

5. Waar geniet je het meest van tijdens het evenement?
‘De vroege ochtend van de wedstrijddag, vlak voor de start van de 120 km om 04:35 waarbij overkantse lopers en Texelse fietsers zenuwachtig naar elkaar op zoek zijn. Vol verwachting ga ik vervolgens met de bagage van die lopers naar het NIOZ en bekijk onderweg even de doorkomst in Oudeschild. Ietsje later sla ik samen met mijn vrouw Aaltje wat pijlen in de grond bij het Slufterdijkje en zet het 85/35 km bordje neer bij het Oorlogsschip in De Nederlanden, waar de eerste 120 lopers rond een uur of zeven ’s ochtends doorkomen. Iedereen, zowel lopers als volgers, ervaart die eerste uren rond licht worden als bijna magisch, vaak met grondmist en tal van vogelgeluiden. In die vroege uren zette ik al wat flitsen op www.ultraned.org in de wetenschap dat heel veel liefhebbers in den lande (en daarbuiten) mij daar zeer dankbaar voor waren. Tegenwoordig met facebook en twitter is dat ‘meeleven vanuit de stoel thuis’ natuurlijk nog veel groter geworden. Toch komen flink wat oud-deelnemers elke twee jaar naar Texel toe om de wedstrijd in het eggie te volgen want er gaat niets boven de sfeer ter plekke.’

6. Heb je ooit zelf aan De Zestig meegedaan?
‘Als je in het centrum van de organisatie zit, is dat een onmogelijke combinatie. Achteraf was het dus nogal naïef om te denken dat je die NIOZ-marathon goed kon opzetten en dan ook nog zelf mee kon lopen. Maar in mijn achterhoofd zat wel om een keer die 60 km privé te volbrengen. Heel 1998 had ik geen vaartochten te doen en kwam het plan op om in november, rond de sterfdag van Jan, de route van De Zestig te lopen. In de aanloop deed ik het Rondje Voorne van 50 km en de marathon van Etten-Leur (toen nog één grote ronde) en op de mooie zondag 15 november 1998 kondigde ik ’s morgens mijn start op de Dead Runners Society aan en deed de deur van het NIOZ achter me dicht. Na 20 km wachtte clubgenoot Dirk Eelman me op bij Paal 21 om me verder op de fiets te begeleiden. We hebben even een deviatie naar de vuurtoren gemaakt om bij Hanna Knippenberg een kopje koffie te doen. Het was een zeer heldere dag met weinig of geen wind, en ik heb genoten van de route. Wel had ik natuurlijk te weinig getraind en moest vanaf 45 km korte wandelpauzes inlassen en mijn eindtijd werd de 7 uur die tegenwoordig de limiet is. Toch was het voor mij het bewijs dat een modale loper De Zestig kan volbrengen mits hij of zij voldoende kilometers in de voorbereiding kan maken.’

7. Hoe vaak loop je nog zelf?
‘Eigenlijk had ik graag een cyclus volgehouden om eens in de acht jaar de voorbereiding voor een grote loop te doen: in 1990 de New York City Marathon (in plaats van de NIOZ-marathon), in 1998 mijn eigen Zestig en in 2006 de Two Oceans Marathon. Die laatste ook omdat ik in zowel de Indische Oceaan als in de Atlantische Oceaan het nodige planktononderzoek gedaan heb, en het me heel mooi leek om in één marathon zowel langs de kust van de ene als van de andere oceaan te lopen. Maar ik kreeg na 1998 steeds meer last van mijn linker enkel, die bleek versleten en ik kreeg van de medici te horen dat ik geen grote lopen meer mocht doen tenzij ik graag in een rolstoel wilde belanden. Gelukkig mocht ik wel blijven lopen op mijn basisniveau, drie keer in de week, meestal zo’n 4 tot maximaal 8 kilometer per keer, en overwegend op zachte ondergrond.’

8. Heb je nog een eigen loopdoel de komende jaren?
‘Op 28 september 2014 doe ik mee aan de 10 km van de Texel Halve Marathon, met start vanaf de TESO boot. Alle 7 vorige edities was ik vrijwilliger en stond ik in De Dennen als post voor de 21 km. Dit jaar konden de trouwe THM-helpers zich met voorrang aanmelden voor een startbewijs als geschenk voor een dierbare of om er zelf gebruik van te maken. Dat laatste heb ik dus gedaan en mijn enige streven is om lekker achteraan te starten om niet te hard van stapel te lopen en binnen de 60 minuten netto te finishen. Op iets langere termijn wil ik toch nog graag een keer naar Zuid-Afrika en de Two Oceans. Niet om de 56 of de 21 km te lopen maar om met een auto van de organisatie mee te rijden om de sfeer te beleven van The World’s Most Beautiful Marathon.’

9. Doe je nog andere dingen in de atletiek?
‘In de negentiger jaren heb ik de opleiding voor jurylid en voor scheidsrechter/wedstrijdleider gedaan maar heb daar in de praktijk nooit veel invulling aan gegeven, ook niet nadat AV Texel in 2003 eindelijk een kunststofbaan voor elkaar wist te boksen. Ik had meer affiniteit met de weg, en ben in 1997 de nationale ultrakalender gaan inventariseren. Dat heb ik 15 jaar volgehouden en dat overzicht kreeg ik elk jaar in Runner’s World gepubliceerd, ook al werd die lijst elke keer weer wat langer …. In de tijd dat De Zestig van Texel ontstond was het pas de 7e Nederlandse ultraloop maar tegenwoordig staan er zo’n 30 op de kalender plus dan nog allerlei spontane ultraloopjes van vriendengroepen die weer een of andere mijlpaal te vieren hebben.
Sinds een paar jaar ben ik parcoursmeter bij de Atletiekunie en dat miereneuken met metertjes en cijfertjes ligt me wel. Het parcours van de 60 en de 120 km op Texel heb ik vanzelfsprekend ook gemeten (daar begon het eigenlijk mee), maar die worden nooit officieel gecertificeerd vanwege de stukken strand. Het is een leuke club, die parcoursmeters, en je komt nog eens ergens op plekken waar je het bestaan niet vanaf wist ;-).’

10. Heb je een favoriet loopevenement?
‘Dat is de RUN Winschoten, waar we sinds 1997 zo’n 15 of 16 keer met één of twee teams van AV Texel aan de 10 x 10 km estafette hebben mee gedaan onder de naam ‘De Zestig van Texel’. Ik was er voor het eerst in 1992, samen met Jan Knippenberg, en maakte toen mee hoe Jean Paul Praet met een scherpe 6.16 de eerste Europese titel op de 100 km greep, in een uitzinnig enthousiaste hal van De Klinker. De sfeer in Winschoten, met al die versierde straten, is heel bijzonder. Voor mij is de RUN zo langzamerhand een reünie met oude bekenden op en langs het parcours. En flink wat 100 km lopers proberen daar elk jaar onder die vermaledijde 9.30 te finishen, om eindelijk toegelaten te worden tot De 120 van Texel, dus ook ‘beroepshalve’ kom ik er heel graag om de ‘geslaagden’ persoonlijk te feliciteren.’

Dat miereneuken met metertjes en cijfertjes ligt me wel

Fotocredits: Erik van Echten